zondag 19 februari 2006

Marianne en de vlinder boven Peking

[4 maart:] Deze begon ik tijdens de Olympische Winterspelen, een sportevenement dat zich vooral mag verheugen op belangstelling uit kleine landen die ergens onevenredig goed in zijn. Ik wilde het eerst niet plaatsen, omdat een cruciaal element in mijn redenering, namelijk dat de verschillen erg klein waren, bij nader inzien wel meeviel. Een halve meter op duizend is een keurig, statistisch redelijk verschil. Was het meer dan zou Marianne (of wie er ook won) afgetekend de beste zijn, en dat is niet realistisch als een sport door een voldoende aantal mensen beoefend wordt (de verdeling is een Gaussiaanse curve, geen piramide of zo). Vooruit dan maar.

[19 februari:] Alweer geen schaatsen gekeken, blijken we weer eens gewonnen te hebben! Nu zijn er leukere meisjes dan Marianne maar ook minder leuke. Hoe de andere deelneemsters eruitzien en praten weet ik niet, dus ik vind het wel best zo. En het is leuk voor mijn schoonmoeder, die de medaillespiegel bijhoudt. Ze kon wel een opkikker gebruiken.

Wat alleen interessant is: wat zijn die verschillen weer klein! Misschien denkt u dat vier honderste van een seconde veel is, en wilt u erop wijzen dat er ook wel eens een 20 km langlaufen met twee duizendste is beslist. Dat is inderdaad nog erger. Maar vier honderste is nog steeds weinig. Marianne was 0,05% sneller dan Cindy Klassen. Ik vind dat geen percentage voor een kampioen.

Die kleine verschillen werpen echter wel de vraag op: wat scheelt het allemaal? Ik bedoel: de coach die langs de kant stond te roepen - hoeveel honderdste heeft die erbij geroepen (of eraf geroepen)? En het publiek? Evenveel als de coach, omhoog of omlaag? Gaf het geluid haar de nodige extra motivatie? Of leidde de agitatie op de tribunes tot een warmteontwikkeling die net dat luchtdrukverschil veroorzaakten om Marianne die beslissende rugwind te geven? En zijn er ook factoren buiten het stadion die van invloed, én beïnvloedbaar, waren?

Waar ik naar toe wil is: maakte het uit dat ik geen tv keek? Heb je door niet te kijken alleen maar iets gemist of zou het allemaal anders gelopen zijn als je wel had gekeken?

Enerzijds heb je Albert Einstein. Jamie Whyte beargumenteert terecht dat je die niet overal bij mag halen, maar wie het volgende nog niet wist is me misschien dankbaar. Einstein liet zich ooit strikken voor het schrijven van een inleiding op een boek van de goochelaar Uri Geller, die zichzelf als telekinetisch begaafd uitgaf. Lepeltjes op afstand buigen, en tijdens zijn televisieoptredens op de televisie gelegde kapotte horloges repareren. In die inleiding gaf Einstein hoffelijk aan dat het om buitengewoon interessante verschijnselen ging, maar dat hij verder onderzoek geboden achtte omdat de ervaring tot nu toe had uitgewezen dat krachten tussen voorwerpen afnamen met het kwadraat van de afstand tussen de voorwerpen. (Deze verpletterende kritiek had natuurlijk geen enkele invloed op de gelovigen.)

Anderzijds is er de "vlinder boven Peking", een begrip uit de chaostheorie. Je kan hele weersvoorspellingen doorrekenen, maar als het systeem op een bepaald punt voldoende gevoelig is voor instabiliteit, kan - bij wijze van spreken - een vlindertje dat boven Peking met zijn vleugels klappert een wervelstorm boven Nebraska veroorzaken. De onvoorspelbaarheid van het weer over 10 dagen, hoeveel rekenkracht je ook tot je beschikking hebt, lijkt deze mogelijkheid te bevestigen.

Zou nu het loutere aanzetten van de televisie in Amsterdam een atmosferische storing kunnen veroorzaken die in Turijn Marianne dat beslissende zetje geeft? Ik denk het toch niet, maar het knaagt. Als die race nu eens twee dagen in plaats van twee minuten duurde?

Ik wil er graag op wijzen dat met dit idee tob sinds de WK-finale van 1978 - was het nu Rensenbrink of René van de Kerkhoff die tegen de paal kopte? Dus wie het een typisch idee voor een 12- of 13-jarige vindt zit helemaal goed. Ik heb er sindsdien alleen wat interessante woorden bij geleerd.

Geen opmerkingen: