Posts tonen met het label Popski's Private Army. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Popski's Private Army. Alle posts tonen

maandag 16 februari 2009

Introducties tot Popski

Ik had gedacht dat ik met zevenmijlslaarzen door de eerste 100 bladzijden van Popski. A life of lt.col. Vladimir Peniakoff, de bij mijn weten enige biografie van Popski, commandant van Popski's Private Army, geschreven door John Willet zou lopen. Dat deel gaat over de jaren vóór de oorlog, waaraan Popski zelf maar een bladzij of tien besteedt. Maar wat Willett boven water heeft gehaald is fascinerend.

Ik schreef al over het respect dat Popski voor de Duitsers had (goede militairen) en het feit dat hij er pas tegen het einde van de oorlog achterkwam dat het nazisme toch echt een verwerpelijke ideologie was. Dit wordt nog gekker als je leest dat hij joods was. Tenmiste, zijn ouders waren joods en je zou dus kunnen zeggen dat hij het ook was. Maar zijn ouders ontvluchtten dan wel het Rusland van de pogroms, verder waren ze wereldburgers en atheïsten, en dus vonden ze het niet nodig om hun joodse achtergrond thuis ter sprake te brengen. Als Popski samen met zijn neef in Antwerpen een schip met joodse immigranten ziet aankomen, maakt hij een laatdunkende opmerking over het uiterlijk van die arme sloebers. Zijn neef zegt dat Popski en hijzelf toch wel iets belangrijks met die mensen gemeen hebben. Popski reageert als door een wesp gestoken en is de rest van zijn leven met zijn neef gebrouilleerd. Misschien kunnen joodse lezers van dit blog uitleggen wat voor een psychologie daar achter zit, ik snap er niets van.

Popski's vader, Dmitri Peniakoff, was een chemisch ingenieur, die had gestudeerd bij de grote Mendelejev (van het Periodiek Systeem) en die eerst in Frankrijk en daarna in België hele fabrieken ontwierp. In Zelzate, aan het kanaal van Gent naar Terneuzen, hielp Popski, inmiddels ook ingenieur, hem bij zo'n opdracht. Tot zijn taak behoorde het ontwikkelen van een "tuindorp". De architect was Huib Hoste, die eerst door Berlage en later door De Stijl beïnvloed was. Een detail dat Karel van het Reve geïnteresseerd zou hebben, is dat er bij de bouw ook nog twee andere Russische émigrés (tsaristische officieren) betrokken waren, die voor de verwarming zorgden - door in die vreemde Hollandse huisjes Russische kachels te plaatsen (vgl. KvhR ...), die er overigens door de bewoners weer uitgesloopt werden. (De wijk bestaat nog, en heet ter ere van de Peniakoffs en de officieren nog altijd Klein Rusland.)

Maar nu we het toch weer over Karel van het Reve hebben. Die stelde ooit een verbetering voor van het gezelschapsspel "hoeveel handdrukken ben ik verwijderd van...". Ik drukte vijf jaar geleden Bill Clinton de hand, en ben daarmee slechts één handdruk verwijderd van zo ongeveer de hele Amerikaanse politiek, te beginnen met John F. Kennedy. Maar een hand drukken is te makkelijk. Je hoeft maar één populaire politicus de hand te hebben gedrukt en je bent in een handdruk of vier met de hele wereld gelinkt.

Nee, je moet echt een introductie hebben, iemand die desgevraagd zou kunnen vertellen wie je bent: "Dit is Karel van het Reve, slavist te Leiden". Of: "Dit is Karel van het Reve, zoon van kameraad Gerard Vanter, logeerde bij mij omstreeks 1937." Zo ongeveer zou André Gide Karel hebben kunnen introduceren bij Popski, die Gide al in 1921 leerde kennen (al is niet duidelijk of ze elkaar ná 1921 nog wel eens hebben ontmoet). Van het Reve was dus maar één introductie van Popski verwijderd.

Ik kan natuurlijk ook zeggen dat ik maar één introductie van Karel van het Reve verwijderd ben (stuk of zes mensen die mij kennen en die VhR goed kenden), en daarmee maar drie introducties van Popski, maar ik kan het misschien nog mooier. Mijn oma was van 1930 tot 1932 secretaresse van Nicolae Titulescu, president van de Volkenbond. Vertegenwoordiger van de Volkenbond voor België was in die tijd Eugenia Kersten, née Peniakoff. De oudere zus van Popski. Zou zij wel eens met mijn grootmoeder gesproken hebben? Ik vind het een te mooi idee om te verifiëren.

donderdag 5 februari 2009

Popski en de vrouwen

Net ontvangen uit Columbus, Ohio: John Willet, Popski. A life of Lt.Col. Vladimir Peniakoff, de biografie van de commandant van Popski's Private Army, een commando dat tijdens de Tweede Wereldoorlog eerst in Afrika, later in Italië, achter de vijandelijke linies "alarm and despondency" creëerde. Mijn Popski-bibliotheek is daarmee drie banden rijk geworden. Ik hou me aanbevolen voor tips om aan de memoires van Ben Owen te komen (maar laat u niet misleiden door websites die het voor een normale prijs aanbieden - die zeggen anders dan Amazon pas bij de checkout dat het niet meer verkrijgbaar is).

De tweede aanwinst waren de memoires van memoires van Bob "Park" Yunnie, Fighting with Popski's Army, en het is nu echt wel tijd daar aandacht aan te besteden. Yunnie heeft duidelijk de memoires van Popski erbij gehouden terwijl hij het verhaal in eigen woorden vertelde. De chronologie en de beschreven gebeurtenissen lijken te veel op elkaar. Ik heb geen conflicterende interpretaties gevonden. Wel aanvullingen, over de periodes waarin de groep van Yunnie zelfstandig opereert bijvoorbeeld. En veel details.

Sommige mensen, bijvoorbeeld bezoekers van deze PPA-fansite vinden Yunnie onderhoudender (a "cracking yarn") dan Popski. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat die lezers literair gevormd zijn door de boys' weeklies, die Orwell analyseerde in zijn gelijknamige essay. Eindeloze dialogen, beschrijvingen van hoe warm of hoe koud ze het hebben of hoe doorweekt ze zijn, onderbroken door brullende motoren en mitrailleurs die brrrrrt doen. En de humor van mannen onder elkaar.

Proef op de som? Vertrouw me, ik sla een willekeurige bladzijde open:

Rounding a bend, a German sniper took a pot-shot -- and missed. I felt the wind of the bullet, ducked an braked violently.
'Look out! Sniper!' I yelled to the jeeps piling up behind me.
Ben Owen's quick eye saw a uniformed figure running up the hillside.
'There he is, Skipper!'
Brrrrrt . . . Brrrrrrrrt. We raked the green hillside with machine-gun fire. The running figure vanished.
'The bastard!' exclaimed George Sonley indignantly, as if no German sniper had the right to fire at us.
Of hier, 50 bladzijden eerder, om een idee te geven van de repetitiviteit:
Brrrrrrt . . . brrrrrrrrt. Streams of tracer raked the dyke, flashing over in searching red points, smacking into it and leaping high into the air in scarlet richochet . . . engines revved . . . headlamps flashed . . . bullets whined . . . hoarse cries filled the nieght. Brrrrt . . . brrrrrrt . . . one after the other the jeeps tore through the opening, spraying a searing curtain of death on either side . . . hobnailed boots scraped against stones and sparks flew as the German infantry scattered and fled.
'Mucking hell,' grinned Curtis when we were through the German front line and jogging happily down the lower slopes of the Murge, 'you never know your luck.'
(Tracer is lichtspoormunitie, kogels die je in het donker kunt "volgen" doordat de punten gloeien. En mucking is natuurlijk Yunnie's manier om netjes f---ing te zeggen.)

Wat de lezers die Yunnie de voorkeur geven boven Popski misschien ook in Popski dwarszit, is diens intellectuele arrogantie. Hoe volmaakt ook als militair (en Yunnie verafgoodt Popski als militair), hij is óók iemand die altijd met zijn neus in de landkaarten zit terwijl de rest zin heeft in een lolletje, en iemand die bijvoorbeeld iedereen die na drie weken in Italië nog geen Italiaans spreekt onsterfelijk dom vindt. Nee, dan Yunnie, die zo twee bladzijden wijdt aan de misverstanden die je oproept als je een Italiaanse boerderij binnenkomt en Come sta zegt. Dan denken al die Italianen dat je Italiaans spreekt, en gaan ze Italiaans tegen je spreken. Dan duurt het wel even voordat ze doorhebben dat je verder helemaal geen Italiaans spreekt! Yunnie heeft door het beschrijven van zulke belevenissen waarschijnlijk meer rapport met de gemiddelde Britse lezer, die geen talenkenner is.

Maar bij één thema vond ook ik dat de minder intellectuele Yunnie zijn voordelen had, en dat is de liefde. Hij is getrouwd, maar erg lang van huis en komt in Italië veel mooie en willige meisjes tegen. Dat is interessant. Van Popski weet je alleen dat hij gescheiden is, en in zijn boek heb ik maar één reflectie gevonden over vrouwen en de gevoelens die mannen voor hen koesteren. Over Popski en de vrouwen een andere keer.

maandag 21 april 2008

Ha, Nazis Schmazis!

Een van de dingen die Popski's Private Army zo fascinerend maakt, is de eerlijkheid van de schrijver. Als lezer moet je dan zeer alert zijn, want een schrijver kan makkelijk die indruk van eerlijkheid wekken door gênante dingen over zichzelf te vertellen. Daarmee wint hij de lezer voor zich, zodat hij zijn rol verder naar hartelust kan verfraaien.

Zou dat bij Popski het geval zijn? Heeft hij zijn rol op cruciale punten opgeborsteld? Sommige acties zijn zo gedurfd en lopen zo goed af dat je het bijna niet kunt geloven - bijvoorbeeld wanneer hij in een fantasieuniform door een door de Duitsers en Italianen beheerst stadje in Lybië (Derna, nu Darnah) loopt om uit te vinden waar een krijgsgevangenenkamp is, en hoe hij de krijgsgevangenen daaruit zou kunnen bevrijden. Hij kent zijn talen, maar zou natuurlijk door de mand vallen als hij een serieus gesprek aanging met wie dan ook. Daarom praat hij Italiaans tegen de Duitsers en Duits tegen de Italianen. Hij weet met de aldus opgedane inlichtingen 45 gevangen te bevrijden.

Maar die gevangen zijn bevrijd, en van allerlei andere acties bestaan andere getuigenverslagen, die weliswaar een heel ander perspectief aan de zaak geven (zie hier voor een samenvatting van het boek met andere bronnen ter confrontatie), maar de feiten ondersteunen. Er blijven een paar vreemde dingen, waar ik hopelijk nog op terugkom, maar zo in het algemeen durf ik wel te zeggen dat je hem kan vertrouwen.

Dan is er nog iets. Als Popski in een zelfreflectie had geschreven dat hij een egoïstische thrill seeker was, had ik zijn eerlijkheid te goedkoop, te veel uit het boekje gevonden. Maar zijn eerlijkheid is echter. Hij schrijft hoe hij als een kind zo blij is als zijn arm er afgeschoten wordt, en hoe die blijheid maar langzaam overgaat in irritatie. Dat maakt een authentieke indruk.

Ook doet hij geen enkele moeite zijn politieke naïveteit te verhullen. Hij mocht de Duitsers. Goede soldaten. Alla, kun je nog zeggen, dat is de "tunnelvisie" van een militair. Maar dat hij in 1938 Duitsland bezocht en het er erg plezierig toeven vond, en pas in 1945, bij het zien van Franse krijgsgevangenen die een Oostenrijks concentratiekamp hebben overleefd, een besef begint te krijgen van wat er in Duitsland eigenlijk gebeurd was - dat had hij niet hoeven vertellen.

zaterdag 19 april 2008

À la guerre comme à la guerre

Als je oorlog voert moet je accepteren dat het erom gaat elkaar doden te bezorgen. De weinige militaire episodes waarbij geen doden vielen zijn de operettes van de krijgsgeschiedenis. Geen Rus is lyrisch over het staan aan de Oegra waarmee toch maar mooi het Tataarse juk definitief eindigde.

Dat de Geallieerden de Tweede Wereldoorlog wonnen, heeft onder meer daar mee te maken, dat de bevelhebbers niet op een paar duizend doden aan eigen kant keken bij het uitvoeren van een landing of zelfs maar een oefenlanding.

Dat wij in Afghanistan gaan verliezen, heeft onder meer daar mee te maken, dat de minister van defensie meent dat een generaal die zijn zoon tijdens die oorlog verliest, zich moet "concentreren op zijn persoonlijke situatie". Iedereen jammert maar dat onze regering een slap zooitje is en ik weiger normaliter mee te jammeren (ze doen in ieder geval geen kwaad), maar nu heeft iedereen eens gelijk. Doe je aan een oorlog mee, hou dan een stiff upper lip. Ik denk ook dat Van Uhm helemaal niet op dit soort medeleven zit te wachten.

Wat wél erg is: dat de jonge Van Uhm door een geïmproviseerde mijn om het leven is gekomen. Les van Popski. Je sterft als militair het liefst in direct gevecht. Naast mijnen scoren hoog op de lijst van gevreesde doodsoorzaken: verkeersongelukken, verdrinking, friendly fire. Een dieptepunt beleefde Popski's Private Army toen het drie mannen verloor die op weg waren een brug op te blazen die van weinig strategisch belang was en in het bereik van machinegeweren van de vijand lag. Dat was allemaal tot daar aan toe. Maar die mannen stierven toen ze op mijnen liepen die er door de eigen partij waren neergelegd.

vrijdag 18 april 2008

Popski's Private Army

Tijdens een spreekbeurt op de middelbare school zei een klasgenoot, Marc Immink, in het kader van het vaste onderdeel "Eigen mening" (die woorden spreek ik nog altijd op zijn Twents uit) over Soldaat van Oranje dat het een "uniek oorlogsboek" was. Ik heb dat nooit gecontroleerd, maar Erik Hazelhoff Roelfzema is, met alle respect, toch maar een kleine scharrelaar vergeleken met Vladimir Peniakoff, alias Popski. Ik vermoed ook dat Popski's oorlogsboek nog veel unieker is.

Karel van het Reve-liefhebber, waar kent u die naam van? Juist, uit de Geschiedenis van de Russische literatuur. De GRL, zoals we bij de Verzameld Werk-club voor het gemak zeggen. Daar staat hij, op pagina 81, in het stuk over Denis Davydov:

Hij was een groot liefhebber van oorlog, en beoefende ook wel de meest aantrekkelijke vorm ervan: met een kleine groep dapperen achter de linies van een machtige vijand opereren. Zijn verslag doet denken aan dat van zijn latere collega Penjakov, een Brits onderdaan van Russische afkomst, die tijdens de tweede wereldoorlog in Noord-Afrika en Italië achter de Duitse en Italiaanse linies opereerde met een kleine gemotoriseerde strijdkracht, die officieel Popski's Private Army heette.
Ja, en dan vind ik het leuk om in de bibliotheek van Karel van het Reve, waaruit nog steeds boeken te koop zijn bij Aioloz, een stukgelezen exemplaar van Peniakoffs verslag Popski's Private Army aan te treffen. Zou u het, nu ik u aan deze passage heb herinnerd, voor die drie euro hebben laten liggen? Ik denk het niet.

Wie de tweede wereldoorlog associeert met concentratiekampen, onderduik, gebombardeerde steden en de gruwelen van het Oostfront moet even wennen. Wat de jonge Brad Pitt in Thelma en Louise nog voorzichtig uitdrukt - "if done properly, armed robbery doesn't have to be an unpleasant experience" - gold voor Popski en zijn mannen zonder voorbehoud voor een nog veel ernstiger tijdverdrijf: als je je collega's zorgvuldig kiest en je jezelf niet ten doel stelt er levend uit te komen, dan is oorlog fun.

Ik wil mijn posts leesbaar houden, dus zal ik de komende weken proberen in korte stukjes Popski's vele interessante waarnemingen te bespreken.