vrijdag 26 oktober 2007

Doodstraf

Tot mijn verbazing merk ik dat ik niet meer tegen de doodstraf ben. Nou ja, niet echt meer. "Wie zijn wij, dat we een ander zouden mogen doden," vond ik altijd. Dat is een wat wat Bijbelse verwoording van mijn overtuiging dat wraak nemen fout is, en vooral op iemand die weerloos is geworden - wat hij ook gedaan heeft. De kindermoordenaar is misschien de lowest form of life (mijn voorkeur gaat wat dat betreft overigens uit naar de vrouwenhandelaar, die uit berekening levens verwoest), maar ik heb nooit kunnen meevoelen met de massa die hem in handen krijgt.

Mijn afschuw van groepen die lijken te genieten van hun eigen haat ("All right, let's get some food!" zegt in de verbijsterende documentaire over de Little Rascals Day Care Center case de moeder van een van de vermeende slachtoffers (fantasierijk ventje), nadat ouders en kinderen de vermeende dader die tot twaalf keer levenslang is veroordeeld en gevankelijk wordt weggevoerd voor de laatste keer goed hebben uitgejoeld) - dat was de eigenlijke oorzaak van mijn afkeer van de doodstraf. Want de heksenjagers, de lynchmobs, zijn voor, en ik wil niet dat hun bloeddorstigheid bevredigd wordt.

En ik moet zeggen, ik respecteer dat gevoel bij mezelf. Zou er in Nederland een referendum worden gehouden over herinvoeren van de doodstraf, dan zou ik alleen al om dat gevoel beslist tegen stemmen, want ik huil niet met de wolven mee en als ik mijn kinderen één ding wil meegeven, is het dat.

Maar het klopt natuurlijk niet. Als iemand écht te slecht is om vrij rond te lopen, zijn er maar twee mogelijkheden: levenslang opsluiten of doden. Levenslang opsluiten heeft mijn voorkeur, maar lijkt me in wezen niet minder barbaars dan doden. Ik kan de keus voor doden begrijpen, al blijft het enige écht goede argument tegen de doodstraf, namelijk dat je een onterechte veroordeling niet meer kunt goedmaken, geldig.

Dit alles naar aanleiding van de film Capote. Twee mannen waar je geen enkele sympathie mee hoeft te hebben vermoorden een heel gezin. Ze worden ter dood veroordeeld. Truman Capote (een schitterende rol van Philip Seymour Hoffman), die wil schrijven over de moord, zorgt dat de mannen alsnog een goede advocaat krijgen - om tijd te winnen, want hij heeft nog veel met ze te bespreken. De suggestie in de film is dat ze uiteindelijk opgehangen worden als Capote geen zin meer heeft om het nog langer te rekken. In een briefje schrijft hij dat hij ondanks verwoede pogingen geen nieuwe advocaat heeft kunnen vinden die hen voor het Hooggerechtshof kan bijstaan - maar hij heeft niets gedaan (Capote's genante leugens zijn een rode draad in de film). Hun dood is onontkoombaar, en doet de kijker uiteindelijk niets.

maandag 22 oktober 2007

The Apartment

Als ik behalve naar de Albert Heijn ook even naar de videotheek wil, zeg ik dat meestal tegen mijn vrouw. Dan weet ze dat het drie kwartier kan gaan duren. Als ze me vraagt of ik ook een film mee wil nemen die zij leuk vindt, wordt het langer, want zo'n film moet goed aflopen (en dan écht goed, dat bijvoorbeeld de hoofdpersonen blijven leven is op zich nog niet genoeg) en dan moet ik in de deprimerende afdeling Komedie gaan kijken. Maar daar bleek dus wel mooi de klassieker The Apartment te staan.

Ik had nog even een angstig moment: de film wordt gedragen door Jack Lemmon. En nu weet ik nooit aan wie van de twee uit Some Like it Hot mijn vrouw nu een hekel had: aan Jack Lemmon of aan Tony Curtis. Maar gelukkig bleek dat Tony Curtis te zijn.

The Apartment begint helaas met een schoonheidsfoutje. Lemmon, een verzekeringsdeskundige met een meer dan alleen maar beroepsmatige interesse in statistieken, zegt in de voiceover:

On November 1st, 1959, the population of New York City was 8,042,783. If you laid all these people end to end, figuring an average height of five feet six and a half inches, they would reach from Times Square to the outskirts of Karachi, Pakistan.
Waarom doen ze dat? Denken ze dat niemand dat gaat narekenen? Ik geef toe dat ik hier een beetje moeilijk in ben, maar ik wil dat in films details die met de werkelijkheid kúnnen kloppen, en dat zijn er toch al zo weinig, ook gewoon kloppen. Inwoneraantal x lengte geeft 13.585 km, en ook als je "outskirts" ruim definieert kom je eerder in Bangkok dan in Karachi.

Daar staat tegenover dat de average height nogal hoog gefigured lijkt. De gemiddelde lengte waarmee je in Karachi komt is niet 1,69 maar 1,46 m, en dat is helemaal niet gek als je rekening houdt met kinderen, ouden van dagen en etnische groepen. Het zou me niets verbazen als de juiste lengte inderdaad four feet and seven and a quarter inches was, dat de scenarioschrijver die oorspronkelijk ook had gebruikt, maar iemand (wie?) besliste dat het het robuustere 5'6½" moest worden, omdat dat beter past bij de mensen die op dat moment in beeld zijn, en de kijker ook niet de indruk mag krijgen dat de gemiddelde New Yorker groeigestoord is.

Verder is het een uitstekend gemaakte en zeer onderhoudende film: geestig (Jack Lemmon ís gewoon geweldig, en ik zal hem nu hopelijk ook niet meer met de clown Tony Curtis verwisselen), ontroerend en tot in de verrassende plotwendingen toe prettig voorspelbaar. Een film uit één stuk.

zaterdag 20 oktober 2007

George Orwell en Anthony Powell over kleding

Nog eens Bernard Crick, nu over de ontmoeting van Orwell met Anthony Powell (die we kennen van de romancyclus A Dance to the Music of Time, of in ieder geval van de BBC-serie die daarvan is gemaakt). Het was in de oorlog, en Powell voelde zich overdressed in de blues van zijn regiment (in het Nederlands heet dit enigszins misleidend het "dagelijks tenue"), en ook Orwell was niet op zijn gemak:

'Orwell's first words, spoken with considerable tenseness', Powell recalled 'were "Do your trousers strap under the foot?" ... "Yes." Orwell nodded. "That's the important thing." "Of course." "You agree?" "Naturally." "I used to wear ones that strapped under the boot myself," he said, not without nostalgia. "In Burma. You knew I was in the police there? These straps under the foot give you a feeling like nothing else in life."'
Zeg nu zelf, beste lezer die in de jaren '70 trainingsbroeken droeg - is dit waar of niet? Jazeker is het waar. Helemaal onder de schoen, of onder de voet in de schoen. Beide onweerstaanbaar.

Even warme gevoelens heb ik over mijn uniformbroeken in militaire dienst - niet die van het dagelijks tenue (die prikkelden, en zagen er bovendien goedkoop uit), maar die van het gevechtstenue, dat je gelukkig dagelijks droeg. Geen voetbandjes hadden die, maar elastiekjes om de enkels. Ook ongelooflijk fijn waren de gevechtsjasjes, weer zo'n vreemde benaming, want eigenlijk waren het zwaar katoenen overhemden. Luxeprobleem: trok je het direct aan, of met zo'n lekker legerhemd eronder? Geen burgertenue haalt het erbij.

Andrej Amalrik

Het ging ongeveer zo. Ik stond me vanochtend te scheren. Ik vond dat ik een vrij stugge baard had. Dat terwijl ik me op mijn vaste tijd stond te scheren, en dat ik dat gisteren ook had gedaan (een uur verschil merk je). Misschien omdat ik vannacht per ongeluk de verwarming aan had laten staan (warmte lijkt de baardgroei te bevorderen). Of krijg ik op mijn tweeënveertigste een fatsoenlijke baard?

En toen moest ik aan Andrej Amalrik denken. Die schreef ergens over zijn problemen met scheren in de gevangenis, en merkte daarbij op dat hij geen noemenswaardige baard heeft. Hoe oud was hij toen? En... hoe oud was hij eigenlijk geworden?

Nekotorye fakty:

Zapiski dissidenta (in Nederlandse vertaling verkrijgbaar als Dagboek van een provocateur) is het enige Russische boek dat ik niet één, niet twee, niet drie, maar zeker vier keer heb gelezen.

Een Russische vriendin die mijn stukgelezen pocket leende, gaf die de volgende dag alweer terug - hele nacht doorgelezen. "Hij weet wat vrijheid is", was haar enige commentaar. Misschien vindt u haar een melodramatische Russin, maar dat is ze niet.

Bij ons thuis gevleugelde woorden: "Wat is nu een eitje zonder zout!" (Amalrik krijgt in de gevangenis van Magadan na bovenmenselijke inspanningen het hardgekookte ei waar hij op grond van zijn medische toestand al jaren recht op heeft, maar natuurlijk nooit kreeg; maar in plaats van blij te zijn beklaagt hij zich er luidruchtig over dat hij er geen zout bij krijgt).

En verder: "En ja hoor, de ene wijze uitspraak na de andere!" (Amalrik heeft een kampgenoot, die in de verzamelde werken van Lenin een wijze uitspraak moet vinden - "maar er natuurlijk geen enkele vindt" -, aangeraden de verzamelde werken van Brezjnev te proberen. En ja hoor...).

En dus, net nagezocht: Amalrik werd 42.

Bon, eigenlijk heb ik helemaal geen tijd om te bloggen, we zijn namelijk bezig met onze financiële planning, moet onder meer uitzoeken wat een lijfrentepolis is!

dinsdag 16 oktober 2007

Vijftien minuten

Dat allerlei interessante ideeën alleen in verwaterde, onbegrepen, dom nageprate vorm voortleven, dat weten we, en dat is al erg genoeg. Maar er zijn ook ideeën die door de bedenker niet eens uitgewerkt waren voordat ze als diepe wijsheid gepopulariseerd werden. Een goed voorbeeld zijn de vijftien minuten van Andy Warhol. De uitspraak komt uit een tentoonstellingscatalogus uit 1968 en luidt volledig:

In the future everybody will be world famous for fifteen minutes.
Waarom een kwartier? Wie is "iedereen"? Wanneer ben je wereldberoemd? Hoeveel mensen tegelijk kunnen er wereldberoemd zijn? Hoe werkt het vergeten? Warhol zei maar wat, en dat mag natuurlijk. Maar de napraters zouden beter moeten weten. Ik vind zijn kunst trouwens helemaal niet lelijk.

maandag 15 oktober 2007

The deadliest women in the world with a knife


Op 6 augustus 1985 houdt Karel van het Reve op de Wereldomroep zijn causerie over een Japanse uitvoering van MacBeth, waarin hij over het vechten op het toneel onder meer zegt:

Als Makubesu zijn talrijke krijgslieden zou hebben bevolen om de hele parterre over de kling te jagen zouden ze dat zonder enige aarzeling hebben gedaan. De manier waarop zo'n Japanse acteur een sabel in zijn gordel draagt wekt de indruk dat hij thuis altijd met een sabel rondloopt. Als er gevochten wordt gebeurt dat zeer overtuigend. De doden storten links en rechts ter aarde. (Karel van het Reve, Luisteraars (Amsterdam, 1995) p. 158)
Zo gaat het bij Ran, de King Lear van Kurosawa, toevallig ook in 1985 uitgekomen, ook. Het grootste probleem dat ik altijd met Lear heb gehad, namelijk dat de koning en zijn dochters zo weinig entourage hebben en daardoor wel heel erg toneelfiguren blijven, wordt in Ran volstrekt overtuigend opgelost door de vader en zijn zoons elk een klein leger te geven.

De meeste indruk maakt actrice Mieko Harada, die natuurlijk niet met een sabel rondloopt (die sabels van VhR zou ik zelf trouwens liever zwaarden noemen), maar wel zeer handig haar zwager zijn mes afhandig maakt en het tot bloedens toe tegen zijn keel zet om duidelijk te maken dat er van nu af naar haar geluisterd gaat worden. Er zijn op dat moment al veel doden gevallen, maar vanaf nu is veilig thuis blijven er zeker niet meer bij.

zondag 7 oktober 2007

Vote early and vote often

Dat krijg je als je in het geweldige boek van Robert Caro aan het lezen bent: Johnson is opeens overal.

Een lezer reageert op Hans Ree's stukje Een nieuw schaakpaleis (klikken geeft denk ik alleen het gewenste resultaat als u NRC-abonnee bent en u op de NRC-website hebt aangemeld). Ree laat in dat stukje de uitspraak "Vote early and vote often" vallen, en zegt erbij "om met president Lyndon B. Johnson te spreken". De lezer, Hugo Kijne, merkt op dat dat nu net niet klopt: de uitspraak zou afkomstig zijn van Frank Hague, de corrupte "boss" en burgemeester van Jersey City.

Zoveel precisie ga je meestal niet meer dubbelchecken, je bent geneigd zo'n reageerder op zijn woord te geloven. Maar deze keer zit het me niet lekker: het zou makkelijk nog ouder kunnen zijn, en op zeker moment zowel door Hague als door Johnson half in scherts geciteerd zijn geworden, zoals dit in Amerika nog steeds op elke verkiezingsdag schijnt te gebeuren.

Mijn Oxford Dictionary of Quotations (1999) dateert het advies inderdaad vroeger, en noemt de Zuidelijke politius en vlagontwerper William Porcher Miles als bron, maar dan wel "by proxy": hij zou in 1858 in het House of Representatives hebben gezegd dat hij in een Noordelijke stad spandoeken met de leuze "Vote early and vote often" had gezien. Dat lijkt me gemene laster. En als het dat is, is de uitspraak waarschijnlijk al eerder bekend geweest. Internet-research wijst naar John Van Buren, zoon van president Martin Van Buren. Ergens in de jaren 1840.

Maar nu de vraag: heeft Johnson dit dan tenminste wel eens gezegd? Ik heb maar enkele honderden van de 2700 bladzijden in de drie delen van Caro gelezen. Maar ik denk het eerlijk gezegd niet. Scherts, en halve scherts, pasten niet bij hem.

woensdag 3 oktober 2007

Oblomov was niet lui

“Zijn eigenschap is interessanter dan luiheid. Hij voelt een grote weerzin als van hem verwacht wordt zich druk te maken over de dingen waar iedereen zich druk over maakt. Hij houdt zich liever bezig met zijn hospita en zijn kinderen en zijn eten en zijn knecht dan dat hij kranten leest en zich afvraagt waarom een bepaalde gezant Wenen verlaten heeft en wat Palmerston nu weer in de zin heeft. Zijn belangstelling voor het leven is te echt dan dat hem de bedoelingen van Palmerston zouden interesseren. Aan de andere kant is het natuurlijk zo, dat het haast niet mogelijk is te leven en je in het geheel niet te interesseren voor de dingen waar je medemensen warm voor lopen.” (Karel van het Reve, ‘Gontsjarov’, in Geschiedenis van de Russische literatuur, p. 261-262, ook in Verzameld Werk 5, p. 622.

Dit is ongetwijfeld een eigen ontdekking van Van het Reve. (Als je het hem ernaar zou hebben gevraagd, zou hij waarschijnlijk iets hebben gezegd als: "Nou ja, of je moet iemand anders vinden die dit eerder heeft beweerd natuurlijk.") Veel scherpzinnige mensen zouden er nooit op komen omdat ze zélf veel te geïnteresseerd zijn in de waan van de dag.

het is ook een zelfbeschrijving van Van het Reve. In mindere mate is het een beschrijving van mij. En het is weer veel meer een beschrijving van mijn ex, en nog meer van mijn vriendin - ik ben constant in mijn voorkeuren.

maandag 1 oktober 2007

George Orwell en bommen

George Orwell had iets met bommen. In zijn jeugd maakte hij bommen met een vriendje (Prosper Buddicom, hij ging ook met hem uit schieten).

Hij zegt - en niemand ontkent - dat hij in de Spaanse Burgeroorlog waarschijnlijk een tegenstander heeft gedood met een handgranaat.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schrijft hij memoranda om de Home Guard effectiever te maken. Daarin benadrukte hij het belang van zelfgemaakte bommen. Hij zette zich ook aan het maken ervan:

[He] found an empty garage and put his section to work making their own petrol bombs out of milk bottles, by methods no longer safe to describe.
Eenmaal klaar waren ze blijkbaar veilig genoeg - zijn vrouw Eileen merkte later op:
I didn't mind the bombs on the mantelpiece, but I didn't like the machine-gun under the bed.
In Orwell's schrijven ging het er nog harder aan toe - al voor de oorlog, zelfs voordat hij naar Spanje gaat. Biograaf Bernard Crick geeft een reeks citaten uit Keep the Aspidistra Flying (1936). De held van het verhaal, Gordon Comstock, mijmert over de aanstaande oorlogen en ziet de hele beschaving weggebombardeerd worden - wat hij goed vindt.

Crick maakt echter ook aannemelijk dat Orwell niet uniek was; sterker nog, dat het in de extreem-linkse kringen waarin hij in de jaren '30 verkeerde gemeengoed was te denken dat de revolutie zou volgen op een forse luchtoorlog, waarin de kapitalistische structuren naar het Stenen Tijdperk teruggebombardeerd zouden worden. Hun 'geloof' in bombarderen werd weer gedeeld door de haviken van die tijd (die tijdens de Tweede Wereldoorlog hun theorieën in de praktijk mochten brengen) en van alle tijden sindsdien.

vrijdag 28 september 2007

Full Metal Jacket

Als Joker de scherpschutster heeft gevonden die net drie van zijn maten heeft uitgeschakeld en Rafterman haar heeft neergeschoten en de andere overgebleven marines er een voor een bijkomen, dan weet ik al dat ze haar niet gaan verkrachten. Ook zullen ze er geen machinegeweer induwen. Ik weet dat niet alleen omdat alleen ik ziek genoeg ben om die dingen te bedenken. Die dingen gebeurden immers in Vietnam, wie wil kan er genoeg over lezen, begin bij My Lai. En deze situatie schreeuwt bij wijze van spreken om seksueel geweld.

Maar op dat punt in de film weet je al dat zoiets niet gaat gebeuren. De jongens, boos, oversexed en afgestompt, twijfelen alleen of ze haar zullen laten creperen of toch maar zullen doodschieten. Dat laatste wordt het, Joker, die het voorstelde, moet het zelf doen en doet het na lang aarzelen. Je ziet verder geen bloed meer.

De film is goed, maar geen meesterwerk, juist door die vreemde braafheid - die me ook wel weer goed uitkomt, want ik heb een grote afkeer van extreme geweldscenes. Meer voorbeelden van braafheid: de duidelijke oorzakelijke verbanden tussen het kleineren door de drill instructor het gedrag van de recruten. Het in kaart brengen van hoe de Amerikaanse militairen over Vietnam en de oorlog denken. De even grote vuren die overal in Hue branden - een vuur wordt groter of kleiner als niemand het onderhoudt. De frisse, aantrekkelijke hoeren.


Veel van de op de IMDB ruim aanwezige Kubrick-fans zeggen dat je Full Metal Jacket meerdere keren moet zien om hem echt te begrijpen. Mijn eerste reactie was: wat een flauwekul, de handeling is duidelijk genoeg en de boodschap ook. Maar bij het lezen van de recensies bedacht ik dat veel recensenten zich oprecht afvragen hoe mensen elkaar kunnen doodmaken. Kubrick is er duidelijk op uit die vraag te beantwoorden. Dat voel je als kijker aan, en als je nog niet klaar bent om het antwoord te accepteren, kijk je nog een keer. Meesterwerken als Apocalypse Now en The Deer Hunter leggen niets uit. Die gaan meteen tot de bodem, met Wagner in de helicopter een dorp van de kaart vegen en verslaafd raken aan Russische roulette omdat je op het verkeerde moment de verkeerde perverseling tegenkwam.

maandag 24 september 2007

Hoewel ik normaliter geen petities teken

Als dit weblog dan toch over films moet gaan, en laat ik eerlijk zijn: ik heb films tot nu toe verreweg het makkelijkste onderwerp om over schrijven gevonden, de politiek volg ik niet, originele gedachten moeten maar net bij je opkomen, boeken lezen duurt te lang, mijn dagelijks leven is saai, mijn werk concurrentiegevoelig en de kinderen - mijn vrouw ziet de pedofielen al aan het hek rammelen als ik schrijf dat ik ze heb, dus ja, voorlopig maar even films - als dit weblog dan toch over films moet gaan, laat ik dan maar meteen een link naar een van mijn nieuwe vrienden, mede-filmbloggers plaatsen.

Rooting for Laughton

Dat zit zo. Vanavond The Night of the Hunter gezien. De film is niet volmaakt. Wie hem domweg raar vindt kan ik geen ongelijk geven. Maar het acteren is geweldig, met als (voor mij) grootste verrassing Robert Mitchum. Ik kende hem alleen van stoere rollen in oorlogs- en cowboyfilms. Nu is hij een doodenge "preacher", met op de vingers van zijn linkerhand H A T E en op de vingers van zijn rechterhand L O V E getatoeëerd. Wat er gebeurt...


Het rare zit 'm trouwens in de cinematografie, die gekunsteld aandoet - expressionistisch, zeggen de kenners. Maar ik heb ondanks dat aan het scherm gekluisterd gezeten. Vandaar mijn steun aan Gloria's actie voor een special edition van de dvd, baat het niet dan schaadt het niet.

zaterdag 22 september 2007

Little Big Man

Dit is een opmerkelijke film. Indianen die soms duidelijk bijgekleurde blanken zijn, maar soms ook echte Indianen. Ze spreken Engels, maar zeggen er steeds bij dat ze Cheyenne spreken, zodat we niet kunnen denken dat de makers niet weten dat Indianen onder elkaar geen Engels spraken. (Sommige kijkers doen dat toch, maar die worden door anderen ernstig en met kennis van zaken terechtgewezen.) Een aardig detail is dat de Indianen, en ook Dustin Hoffman als hij met ze praat, netjes Engels spreken, terwijl de blanken onderling zich van pittige dialecten bedienen.

Over de film worden verschillende dingen gezegd. Allereerst dat hij over een leugenaar gaat. De tagline, "Little Big Man Was Either The Most Neglected Hero In History Or A Liar Of Insane Proportion!" heeft wat dat betreft veel kwaad gedaan. Goed, de verteller is 121. Zulke oude mensen bestaan niet. En het verhaal is historisch niet echt gebeurd. Maar binnen de film klopt het gewoon en is de leugenachtigheid van de verteller alleen maar een thema als het over bepaalde periodes in zijn biografie gaat ("In my gunfighter period, I was a terrible liar.").

Verder dat hij eigenlijk over Vietnam gaat. Ja kijk, dat is wel heel makkelijk. (1) Hij is ten tijde van de Vietnam-oorlog gemaakt en (2) er komen twee slachtpartijen in voor, en die kwamen ook voor in Vietnam. Dat vind ik niet genoeg. Met veel goede wil zou je nog kunnen zeggen: de film is anachronistisch, met jaren-zestigtypes als Hoffmans mannenhatende zus, een Indiaanse homo ("He had become a heemanee for which there ain't no English word.") en een opstandige jongen die alles achterstevoren doet. En als hij zo anachronistisch is, dan moet je de gewelddadige scènes natuurlijk zien als commentaar op de lopende oorlog. Maar dat lijkt me niet de bedoeling van de makers.

Wat de film heel goed doet, is van de Indianen echte mensen maken. Ondanks, of eigenlijk dankzij die anachronismen en de grappen. De vergelijking met Dances With Wolves valt daarom in het voordeel van Little Big Man uit - Dances With Wolves maakt van de Indianen historisch correcte braveriken, waardoor je geen band met ze krijgt. Als je racist bent, in de zin dat je a priori minder rapport hebt met mensen met een andere kleur dan met mensen met je eigen kleur, zal Dances With Wolves daar niets aan veranderen. Dat is wel even anders in Little Big Man.

Leuk is ook de zedenschets van de blanke maatschappij, door er door de ogen van de Indianen naar te kijken. Een mooi detail daarbij is dat de Indianen zich hooghartig "Human Beings" noemen, wel te onderscheiden van blanken - en van negers:

Yes, the "black" white man; I have heard of them. It is said that a "black" white man once became a Human Being. They are a very strange creatures. Not as ugly as the white man true; but they are just as crazy!
Er zijn mensen die vinden dat je Eskimo's Inuit moet noemen. Waarom? Nou, Eskimo is eigenlijk een scheldwoord; Inuit daarentegen betekent "mens". Lange tijd heb ik gedacht dat ik de enige was die zich daar aan ergerde. Wat denken die Inuit wel. Nette mensen accepteren liever een scheldnaam als geuzennaam dan dat ze zichzelf al in hun naam boven anderen stellen. Maar deze film maakte toen ik vijf was (en ik dit nog niet zelf bedacht had) helemaal mijn punt.

Niet goed aan de film zijn de eerder genoemde slachtpartijen. Of beter: niet goed zijn de momenten waarop ze komen. Ze wisselen leuke, ontroerende en zelfs erotische scènes af. Net als het in het echt ging, misschien, maar in een film werkt het niet. De voornaamste emotie die je voelt is afkeer: moest dit nou. Echt onder de indruk raak je er niet van.

Daar komt bij dat de makers ons willen doen geloven dat ten minste een van die gebeurtenissen echt zo heeft plaatsgevonden: die bij de rivier de Washita. Maar dat schijnt een echte veldslag te zijn geweest, waar de Indianen in terugvochten. Daar kan ik dan weer heel slecht tegen. Dustin Hoffman met de Indianen laten meedraaien is acceptabel, de geschiedenis herschrijven niet.

Dappere hip

Ik moet bekennen dat het opnieuw zien van Serpico 25 jaar nadat ik hem voor het eerst zag behoorlijk tegenviel. Jawel, de film maakt een veel authentiekere indruk dan andere politiefilms, door de ongelooflijk gewone locaties en natuurlijk door Al Pacino. Maar hij wordt opgehouden door balletlessen en door relatiegedoe met zijn vriendin - wie is daar nou in geïnteresseerd? - en door het langzaam opbouwen van een dierentuin in zijn appartement. Aan de andere kant: je kunt je verwachtingen bijstellen. Dit is maar gedeeltelijk een politiefilm, het is vooral een portret van de echte Frank Serpico, een rare softie die zomaar iets heel dappers deed. Dat weblog heeft trouwens zijn ontroerende momenten. Zekere Dave reageert op deze post:

On a side note, I've been a Police Officer for over 14 years. Much of my inspiration to become a policeman came from a movie I saw as a young man. It’s truly an honor to be able to communicate with the man that inspired me to become what I am today, even if I do disagree with him on this issue.
Daar kan ik me wat bij voorstellen.

donderdag 11 januari 2007

Onthoudingsverschijnselen

Een lezer die we verder anoniem laten schrijft:

Het zou mij niet verbazen wanneer veel regelmatige lezers van je site (en vooral van je weblog) thans te doen hebben met onthoudingsverschijnselen. Je publiceert niet meer. Chinees leren kan er mee te maken hebben. Misschien is het writer's block. Wellicht heb je teveel werk. Of zijn het de zwemlessen van je dochters soms? Niets van dit alles snijdt bij ons evenwel hout. Wij, je lezers, hebben met al deze excuses niets, maar dan ook niets te maken.

Wij willen je wijzen op de jammerlijke gevolgen van onze frustratie: Hoge medische kosten, tranquilizers, echtelijke ruzies, verkeersongelukken en noem maar op. Kortom, Wouter, mend your ways!

De lezer heeft gelijk. Het begon met het Chinees leren, in augustus. Daarna werd het al snel weer druk op de zaak. Dat bleef. Het werd zo druk dat zelfs het Chinees er enigszins bij in ging schieten (anderhalve les gemist, soms dagen achtereen niet geoefend). En wie mij kent weet dat ik mijn tijd verder niet verbeuzel met zaken als cafébezoek, televisie kijken en uitslapen. Nauwelijks s--- ook (waarom die drie streepjes? Omdat we geen foute googelaars op onze site hoeven en de correcte spelling aanhouden).

Dus het was echt druk. Maar kan er dan niet af en toe een uurtje af? Of een halfuurtje? Want als je consequent vijf uur per nacht slaapt is dat toch al te weinig. Je staat als een zombie op, maar dat is wel bijgetrokken tegen de tijd dat je op kantoor bent. In de loop van de middag merk je dat je wartaal schrijft in een mailtje - dagdromen mengen zich met zakelijke voorstellen. Dan moet je even languit op de vloer gaan liggen met een kussen onder je hoofd. Na tien minuten wreed gewekt door de telefoon, maar tien minuten dáárna weer lekker fris. 's Avonds moeilijk en met tegenzin op gang komen in de avondsessie vanuit de studeerkamer, maar daarna een rush van negen tot één, als het niet later wordt. Ik bedoel maar: dan maakt het niet meer uit, je zou net zo goed vier-en-een-half uur geslapen kunnen hebben, maar dan wel je weblog hebben bijgehouden.

Wat me dwars zit is waarschijnlijk dat de eisen die ik aan mijn weblog stel steeds hoger worden. Ik werd eens in Finland rondgeleid in de fabriek van een klant. Ik vroeg naar de werking van een onderdeel van een machine dat ik niet kende. De rondleider, die tot dan toe voornamelijk bezig was geweest mij te overhoren, las de opschriften, vroeg het aan de operator en pleegde een telefoontje, voordat hij me iets vertelde dat ik zelf intussen al geraden had. Toen ik hem dat lachend zei reageerde hij gepikeerd: "If I want to teach people a lesson, I better f------ well know what I'm talking about."

Ik ervoer dat als een erg wijze les - waarschijnlijk omdat ik dat altijd al zo gevoeld had, al sprak ik het dan niet zo krachtig uit. Het is misschien een van de redenen waarom ik een jaar of vier geleden, bij een poging mijn leven wat meer zin te geven, niet kon aarden in het onderwijs: leraren die f------ well know what they're talking about bleken niet meer au sérieux genomen te worden. (Wel door de leerlingen trouwens.)

Maar voor een blogger is die houding fnuikend. Nu ik merk dat ik gelezen word, wil ik elk stukje met autoriteit geschreven hebben. Daardoor heb ik wel degelijk iets dat op een writer's block lijkt. Ik heb sinds augustus een twintig ideeën genoteerd en te licht bevonden. Als je na zo'n lange stilte weer van je laat horen, it better be f------ good, zoiets. Misschien had ik met die ideeën nog iets mee gekund als ik de dag ervoor een stukje uit de losse pols had geschreven, dan stak het volgende er misschien goed bij af. Wie weet geeft dit stukje uit de losse pols het beslissende zetje. Stay tuned, lezer.

zondag 3 september 2006

Also sprach Zarathustra

Wat je al niet kunt vinden op internet! En dan bedoel ik niet dingen die je vroeger in een woordenboek vond, of dingen waar je even over nadacht en eventueel met een rekenmachientje oploste - de niet onbekende collega-blogger Merel Roze schrijft ook stukjes op de achterpagina van de NRC, waar we vorige week woensdag konden lezen dat ze op internet had opgezocht dat ze de volgende dag 682.695 dagen oud zou zijn. Ze was "best onder de indruk van deze cijfers", die haar dan ook een slordige 1869 jaar oud maken. (Rekenmachientje geeft 1870,4, maar je moet daar iets meer dan een jaar aan schrikkeldagen afhalen.)

Wat ik bedoel zijn dingen die je vroeger écht niet kon vinden. Think trivia, omdat je in die categorie altijd naslagwerken tekort zou zijn gekomen. Vandaag: Also sprach Zarathustra, niet het boek van Friedrich Nietzsche maar het symfonische gedicht van Richard Strauss. De beroemdste toepassing is ongetwijfeld die in 2001: A Space Odyssey. Maar heel veel mensen kennen die film niet, hebben nooit een uitvoering van het hele stuk op de radio of in een concertzaal gehoord, maar herkennen de muziek evengoed onmiddellijk als ze hem horen: bijvoorbeeld in de nieuwste filmversie van Sjakie en de Chocoladefabriek.

Hoe zit dat, worden we er echt zo vaak aan blootgesteld? Eerst meer films. Op de IMDB leren we dat het in een 42 films en televisieprogramma's voorkomt (zoek op Richard Strauss, maar doe nog wat handwerk - Richard krijgt soms credits als "writer", soms voor de soundtrack, soms staat hij in beide categorieën; bovendien wordt soms alleen een deel van AsZ genoemd). Daar zitten bekende tot zeer bekende bij als Magnolia, Clueless (aanrader!), Space Balls en Catch 22.

Het lijkt me respectabel, maar dat is een onvoldoende antwoord op de vraag waarom het zó bekend is. Ook mensen die geen van de bovenstaande films hebben gezien kunnen de muziek dromen. Een aanwijzing geeft het Wikipedia-artikel Also sprach Zarathustra (Richard Strauss song). Het bevat een fijne lijst van populaire toepassingen van het stuk. Waar bombast vereist is, lijkt de boodschap, daar wordt het vroeg of laat gespeeld.

We zijn er bijna. Maar de laatste loodjes wegen het zwaarst, en we komen er deze keer niet helemaal, want we willen weten hoe je dit stuk als Nederlander zo goed kent. De Nederlandse Wikipedia verwijst echter alleen naar het boek. Het muziekstuk wordt alleen genoemd in het artikel over Richard Strauss, zonder daar belangrijke informatie bij te geven over de toepassingen. Was de reclame voor Silan Geconcentreerd de eerste? De enige?

Naschrift 24 september 2007: een nadeel van Wikipedia is dat er dan puristen zijn die alle trivia er van tijd tot tijd verwijderen. Gelukkig wordt niets helemaal weggegooid. Zie voor een lange versie hier.