dinsdag 2 februari 2010

Oost of West, het blijven negers

Ik ben natuurlijk niet Max Molovich, die gewoon naar elke nieuwe film gaat en zo niet alleen zijn voorsprong qua filmkijken dagelijks uitbouwt, maar ook nog eens verse meningen kan geven. Sterker nog, ik heb gisteren pas voor het eerst de klassieker The Matrix bekeken. Maar als je er iets over te zeggen hebt, waarom dan niet tien jaar na verschijnen? Vooruit maar.

Ten eerste. Kenners zeggen dat The Matrix, die als ik het me goed herinner niet zulke bijzondere recensies kreeg, 'iconisch' is. Ik had juist het idee dat alle science-fiction ging over mensen in slavernij van machines, en dat ze werden zoetgehouden met virtuele werkelijkheden etc. Maar mijn hele science-fiction-ervaring bestaat dan ook Brave New World, een roman van Felix Thijssen waarvan ik de titel vergeten ben, en een televisiefilm waarvan ik de titel vergeten ben, allemaal geconsumeerd toen ik een jaar of zestien was. Het kan zijn dat ik de nuances van het genre niet onderscheid, zoals de gemiddelde discobezoeker geen verschil hoort tussen Händel en Ravel.

Ten tweede. Films hebben grappige momenten nodig, 'comic relief'. Ik telde er slechts twee: (1) "He's bugged!" - een woordspeling die stevig is voorbereid. Ik moest denken aan Seth Gaaikema, die ooit vertelde dat hij met zijn eerste optredens zo veel attributen nodig had: een lamp, een pet en een kan, om op zeker moment een lampetkan! ter sprake te kunnen brengen. In The Matrix was de arme Neo via zijn navel gepenetreerd door een garnaalachtig monstertje (bug!) dat zijn whereabouts en misschien nog wel meer doorseinde (ook een bug!). (2) Neo die een virtuele jongedame aangeboden krijgt. Ik kan de scène niet precies citeren, omdat hij de citatenlijstjes niet haalt. Ten onrechte, want voor de serieuze kijkers was er een levenswijsheid uit te halen. Jammer, vergeten.

Ten derde. Aan de andere levenswijsheden (red pill, blue pill) had ik geen boodschap. Ik zag meer de logische en fysische onwaarschijnlijkheden, die overigens een fijn uitgangspunt waren voor nader onderzoek, van het een komt het ander, het stuk over kunstmatige intelligentie op de Engelse Wikipedia blijkt zeer leerzaam, echte aanrader en als ooit onder druk van de opkomende wereldmachten de stekker uit het Internet moet, laat dan Wikipedia bestaan.

Maar ten vierde, en hier hoop ik mijn bijdrage aan de Matrix- en tevens de Pulp Fictionkunde te kunnen leveren. Morpheus en Marcellus Wallace. Twee uiterst coole, wijze, autoriteit uitstralende negers, die terecht door het glazen plafond zijn gebroken en waar blanken tegen opkijken. Maar wat blijkt: op beslissende momenten schieten ze sociaal-emotioneel tekort. Laat hun beoordelingsvermogen hen in de steek. Ondernemen ze een ondoordachte actie, en moeten ze door een blanke gered worden - "I'm pretty f---in' far from OK". Ik vraag me af of deze racistische boodschap eerder is opgemerkt, en of Morpheus of Marcellus bijvoorbeeld ooit met Othello is vergeleken. Ik heb er niets over gevonden.

(Zo goed is Internet trouwens ook weer niet: de Othello-uitvoering van de One Minute Shakespeare Company, een fijne rap waarvan me de regels Well Othello had a girl / Her name was DES-DE-MONA zijn bijgebleven, is nergens te vinden. Jaren '80, hè, die doen niet mee.)

zondag 17 januari 2010

The greatest composer of the human history

God, wat verheug ik me op Danielle de Niese, dinsdag in het Concertgebouw. Niet alleen om Danielle, maar vooral om Händel, van wie ik ter voorbereiding al het vocaals aan het afluisteren ben dat ik uit de boedel heb meegekregen: aria's gezonden door Janet Baker, Lorraine Hunt en Joyce DiDonato. Niet de Ariodante met Anne Sofie von Otter, eerlijk is eerlijk, het was mijn idee, maar ik gaf hem indertijd aan mijn vrouw cadeau, niet andersom. Hoe erg is dat? Even analyseren.

Liefhebbers van het filmhuisgenre hebben indertijd Farinelli gezien, voor hen lijkt Händel op Jeroen Krabbé en dat is niet ideaal, maar het is bij mijn weten de enige film waarin Händel een rol van betekenis speelt. Hij is een soort coach die ongeveer tegen de jonge Farinelli zegt wat mijn Amsterdamse rij-instructeur placht te zeggen als ik te lang aarzelde: 'je kén wel, maar gá dan ook!'

Waar Jeroen, eh, Händel in die film van mij dieper op in had mogen gaan was het ongegeneerde herhalen van thema's, wat barokmuziek zo onweerstaanbaar kan maken. Vooral bij de vocale stukken. Je hoort, bijvoorbeeld in Con l'ali di costanza, een intro waarvan je denkt 'O ja, daar wil ik meer van horen.' De zang volgt min of meer het thema, is prachtig op zich, maar toch anders. Loopt wat ik maar een 'cyclus' zal noemen op zijn einde, dan lijkt Händel de toehoorders te vragen: 'En, wat vonden jullie van het thema? Mooi? Voelde het goed? Zouden jullie het nog eens willen horen, instrumentaal? Ha, kan dat, vragen jullie je af? Nou, van mij mag het! Maar wacht, de musici, wat vonden de musici, willen die nog een keer? Dames, violistes? Jaah, jullie willen wel hè, daar hadden jullie voor geoefend! Gáán we! Of, nee, wacht wacht wacht, omdat jullie het zo mooi vinden, heb ik nog een kleine verbetering aangebracht!' En dat twee, drie, vier keer, zo vaak dat een publiek dat alleen de light versie kent er op 2.43 niet meer op rekent (en blijf kijken).

Toch komt ook aan Händel-aria's, zoals aan alle mooie dingen, een eind. Het genot kan alleen nog verlengd worden door het tempo zover te verlagen als bij deze muziek mogelijk is. Mijn Janet Baker-uitvoering van Con l'ali di costanza (niet op YouTube te beluisteren) is wat mij betreft volmaakt. Maar hier, check Anne Sofie, zelfde nummer, van de Ariodante-cd die ik niet heb. Prachtige stem. Maar de dirigent. Wat een snelheid. Dat moet Raketman zijn.

woensdag 6 januari 2010

Scheet

Mijn opa. In deze vreemde tijden denk ik vaak na over erfelijkheid, niet over genen enzo, maar heel simpel: hoeveel lijken mijn kinderen op mij, hoeveel op hun moeder? En lijken ze, als ze op mij lijken, dan ook op míjn vader en moeder? Maar lijk ik dan ook op mijn opa’s en oma’s? Ik weet niet hoe dat bij u is, maar opa’s en oma’s zijn zo ver weg, daar vergelijk je jezelf niet zo gauw mee. Als je over hun vreemde gewoontes praat, besef je nauwelijks dat je voor een kwart van hun bent.

Mijn opa dus, vertelde graag over de lucratiefste scheet die hij ooit had gelaten. Dat was in Monte Carlo, een plaats waar de groten der aarde elkaar de hand schudden. Hij was daar ober, en had eens, tijdens een diner waar die groten der aarde aanzaten, een geweldig stinkende wind gelaten. Achteraf hadden bijna alle aanzittenden willen weten wie voor die stank verantwoordelijk was geweest. Hij had vaag suggererende antwoorden gegeven, en intussen enorme fooien opgestreken.

Mijn opa was ook een groot aanhanger van complottheorieën, vooral op het gebied van de Tour de France (“Ongelooflijk hè, zoals ze doen of ze sprinten”) en de Tweede Wereldoorlog, en verfijnde die naar beste weten. Zo wist hij dat de Holocaust een één-tweetje tussen Hitler en de Geallieerden was: “Wij willen ook van de Joden af. Wachten we even met de invasie, maar daarna moet je het ons niet te moeilijk maken.” Hij wist die dingen omdat hij persoonlijk met Goering had gesproken.

Jezus, als dit waar is (en sommige dingen die mijn opa vertelde waren wel degelijk waar), ben ik maar één introductie van Goering verwijderd, en dus maar twee van al die andere duistere figuren. Wie doet mij dat na?

maandag 4 januari 2010

Wat Foer maar niet zegt (2)

De vraag was: hoe kan ik mijn goede voornemen om weer regelmatig te gaan bloggen waarmaken? Mijn antwoord was: door het gewoon élke dag te doen. Een maand lang, zoals Ben dat al jaren doet. Daarna, als ik over dat vermaledijde perfectionisme heen ben, zou ik wel wat kalmer aan kunnen doen en de kracht van drie stukjes samenballen in één.

Maar wat is het allermakkelijkste als je van jezelf elke dag moet schrijven: je reageert op lezersreacties. Nico Scheepmaker was er een meester in. Aan een goed weerwoord ben je zo drie alinea's kwijt en als je al zover bent, dient de uitsmijter zich vanzelf wel aan.

Of je blijft op hetzelfde onderwerp terugkomen, want je kan altijd op een andere manier hetzelfde zeggen. Misschien zelfs steeds beter. Kijk maar eens hoeveel van uw favoriete columnisten dat doen! Vol bewondering over hoe Henk Hofland het zo mooi kan formuleren? Think again, de reden dat hij zijn duizendste stukje over het onderwerp niet had gevierd, is dat hij allang de tel kwijt was.

Beide methoden kunnen werken, maar ze liggen me niet. Daarom ga ik nú al een beetje kalmer aan doen. Voor wie het stukje al had gelezen dat op deze plaats en onder deze titel stond: I meant every word I said. Het was gewoon te veel van hetzelfde. Maar, trouwe liefhebbers van dit blog, jullie zijn met weinigen maar voor jullie doe ik het. Als ik op Ilog-tempo schrijf, komt er vast wel weer eens een prachtstukje!

(Dit moet ik even kwijt: een briljant stukje staat hier op Panzerfaust. Ik snap er niets van, d.w.z. ik snap niet waar Apostolov het vandaan heeft. Wat Ben ermee te maken heeft (zie de negende reactie op bovenstaande link, en de eerste reactie op dit stukje) snap ik ook al niet. Hoop dat het geen parodie op iets bekends is, of zo.)

zondag 3 januari 2010

Wat Foer maar niet zegt

Veel mensen die Karel van het Reve waarderen, hebben toch moeite met het ‘compromisloze’ karakter van zijn werk. Zeker, hij schrijft glashelder en kan als geen ander iets moeilijks uitleggen - zo goed dat je het bijna niet gelooft -, maar hij blijft Karel van het Reve. Hij schrijft een leesbaar stuk zoals hij vindt dat een leesbaar stuk eruit moet zien. Hij probeert niet te schrijven wat het publiek wil lezen. En wat hij al helemaal niet doet is niet schrijven wat het publiek niet wil lezen. Dan schrijf je een meesterwerk als Het geloof der kameraden, maar blijft je publiek beperkt.

Jonathan Safran Foer is een goeie jongen (zie hier een aardig filmpje) die een leerzaam boek schreef over het laten staan van vlees. Ik kan Eating Animals van harte aanbevelen. Maar er is ook iets heel erg mis mee. Het boek líjkt misschien minstens even compromisloos als het werk van Karel van het Reve, omdat Foer er niet voor terugdeinst het overgrote deel van zijn lezers, de niet-vegetariërs, streng toe te spreken. Maar hij durft het niet aan om iets vanzelfsprekends ook maar ter sprake te brengen, hoewel hij er ongetwijfeld over nagedacht zal hebben.

Ik doel natuurlijk op de Holocaust-vergelijking, waar Robert Long alweer tien jaar geleden zo’n problemen mee kreeg als varkensambassadeur. Foer heeft nagedacht over op industriële schaal doden, over de verschillen tussen mensen en dieren, over het uitschakelen van emoties, over het niet willen zien wat er gebeurt. Hij moet Coetzee hebben gelezen, die de vergelijking expliciet maakte. Hij moet weten dat dit onder dierenactivisten een punt van discussie is: is die vergelijking gerechtvaardigd? Is zij zinvol?

Hij had bijvoorbeeld, in de lijn van Hugo Brandt Corstius (Eetgeenvlees), kunnen zeggen: goed, een mensenleven is meer waard dan een dierenleven. Maar als er jaarlijks alleen in Amerika al niet miljoenen, maar miljarden dieren op industriële schaal worden vermoord, vaak op pijnlijke wijze, en na een leven lang opgesloten te hebben gezeten, na te zijn verminkt, als niet meer dan een nummer te zijn behandeld - dan ligt zo’n vergelijking toch voor de hand. Maar Foer brandt er zijn vingers niet aan.

Foer nam misschien al een gok met dit boek. Hij zou wel eens als een whacko weggezet kunnen worden. Als iemand die diertjes gaat verdedigen terwijl er nog zoveel menselijk leed is (de kritiek van de New York Times). Maar na twee megasuccessen kon hij die gok wel nemen, en omdat een miljoenenverkoop hoe dan ook gegarandeerd was, zou zijn boek de wereld wel eens een stukje beter kunnen maken. Een benijdenswaardige positie voor een schrijver! Maar als hij de Holocaust-vergelijking had gemaakt, met hoeveel valkussens dan ook, zou hij verketterd zijn. Dat wist hij, en daarom deed hij het niet. Het is begrijpelijk, maar het maakt hem een minder groot schrijver.

zaterdag 2 januari 2010

Er is geen betere

Er zijn waarschijnlijk genoeg objectieve redenen om een Miele-wasmachine te kopen - hij kost ongeveer vier keer zoveel als een Zanussi, maar gaat langer mee en maakt kleren minder gauw stuk. Vooral voor mensen die pas nieuwe kleren kopen als de oude stuk zijn, levert dat een forse besparing op.

Verder voelde ik een morele plicht een Miele te kopen, omdat Miele een klant van mijn vertaalbureau is. ‘Steun onze adverteerders, onze adverteerders steunen ons!’ heet het in de clubblaadjes.

Maar... er is meer. Als man die wel gezelschap van een zekere jongedame zou willen hebben, kocht ik die Miele ook om een even complexe als heldere boodschap over te brengen:

* Ik hou van kwaliteit en mooie dingen (mooie mannendingen natuurlijk, maar toch).
* Jouw kleren zijn veilig bij mij.
* Ik ben niet voor een traditionele rolverdeling, maar laten we elkaar niet voor de gek houden: als je bij me in zou trekken zou je zou het wassen hier al snel overnemen. Met zo’n Miele spaar je je een hoop ergernis.
* (En natuurlijk:) ik kan het me veroorloven.

Ik word nu alleen door twijfel overmand. Is die boodschap niet erg doorzichtig en onsubtiel? Krijg ik dit niet keihard teruggekaatst? ‘Oh. Weer een man die denkt dat een Miele hem onweerstaanbaar maakt. Maar om op mij indruk te maken zijn heel andere dingen nodig. Wat voor dingen bijvoorbeeld? In ieder geval geen dure speeltjes.’

En intussen stapelt het wasgoed zich op. De machine is aangesloten, maar ik heb geen zin de stukken plakband los te maken. En ook niet om de gebruiksaanwijzing te gaan lezen. Ik lees niet graag vertalingen, en de kans bestaat dat wij de vertaling zelf gemaakt hebben. Dan wil ik hem al helemáál niet lezen. En wasmiddel! Wasmiddel.

vrijdag 1 januari 2010

Boeken inruimen

Het is vervelend dit te moeten zeggen, maar aan de kinderen had ik niet veel bij het inruimen van de boekenkasten. Ze vroegen bij elk boek waar het moest staan en hadden moeite met het alfabetiseren (dochter van tien vanaf de derde letter, dochter van acht vanaf de tweede letter). Haalde ik gisteren met de kinderen niet meer dan twee Billy’s (A t/m H van de literatuurkast), vandaag kreeg ik alles min of meer af.

Natuurlijk waren er twijfelgevallen. Gibbon, Haffner, Huizinga, Popper, Presser, Russell, Schoperhauer, A.J.P. Taylor - in een van de kasten met geschiedenis en filosofie boven, of beneden, bij de literatuur? Dat ze bij de literatuur kwamen, hadden ze vooral te danken aan het feit dat daar toevallig anders een paar planken leeg zouden zijn gebleven.

Dan waren er toch nog eigendomskwesties. Zeker tien titels elk van Austen, Kousbroek, Mutsaers: mijn ex en ik gaven ze regelmatig aan elkaar cadeau en wat maakte het uit waar ze kwamen te staan, "we gaan toch nooit uit elkaar, haha!", maar heb ik nu echt de mijne meegenomen?

Nog moeilijker: de aanwinsten uit de bibliotheek van Karel van het Reve. Apart houden, of mergen met mijn eigen collectie? Compromis: boeken die ik altijd al had willen hebben tussen soortgenoten zetten (Brodsky, Lichtenberg, Maugham, Mencken, Tucholsky, Russische taalkunde, communisme, uitgaven van de Herzen-stichting), maar ook een apart kastje houden voor bijzondere zaken, waaronder veel ‘dubbelen’: mooie oude Poesjkin-uitgaven (ik beschik al over een zeer complete uitgave van het Verzameld Werk) en boeken met opdracht van Kousbroek en Brandt Corstius (behalve het onderhoudende De man die niet in de rij wou staan, geschreven onder het eenmalige pseudoniem Peter Malenkov, had ik die allemaal al), en titels waarvan ik niet weet waar ik ze zou moeten zetten en die dus bibliografisch verloren zouden gaan (tot een volgende verhuizing in ieder geval).

Toch was het leuk mijn kinderen te laten helpen. Dochter van tien glundert bij het zien van een mooi ingerichte plank boeken. Niet ‘glimlacht’, beste lezer, ‘glundert’!

zondag 15 november 2009

Een stukje Rusland

Vandaag de Hermitage. Mijn nieuwe invulling van de weekends: zoveel mogelijk DOEN, want mijn soon-to-be-ex-vrouw C. verkeert dan elders en daar wil ik zo weinig mogelijk aan denken. Bovendien, de kinderen mogen best weten wat een goede vader ze hebben. De Hermitage dus. Mijn indrukken werden gecompliceerd door de aanwezigheid van I., die in dit blog eerder figureerde als de mooiste Russin die ik ken. (Zoals Belle van Belle en het Beest terecht opmerkt: echte schoonheid zit van binnen, maar bij I. zit er óók veel schoonheid van buiten, dus het is een vreemd gevoel, met je drie eigen kinderen waarvan één met een nu officieel gediagnosticeerde autism spectrum disorder én de perfecte vrouw met haar kindje van 10 maanden rondlopen. Onopgemerkt blijven was er niet bij.)

I. en ik waren het erover eens dat het hofprotocol en het hofbal, waar de lopende tentoonstelling over gaat, iets pijnlijk primitiefs hadden. Mensen met een platte smaak en veel te veel geld, dat er nog af en toe iets moois uitkwam, was doordat de materialen en de naaisters die ze zich konden veroorloven zo goed waren.

Verder bleken we allebei ijverige kaartjeslezers te zijn. Van tijd tot tijd lees je een interview met een museumdirecteur die vindt dat alle toelichtingen eigenlijk afgeschaft zouden moeten worden. Want mensen kunnen door die toelichtingen zelf niet meer oordelen. Ja, zegt zo’n directeur dan, dan zie je mensen eerst braaf het kaartje lezen en dan pas naar het schilderij kijken! Bah, hoe geborneerd kun je worden. Misschien geldt voor schilderijen van Rembrandt en Frans Hals dat je ze kan waarderen zonder dat je erbij leest wat ze voorstellen of wanneer ze gemaakt zijn, al wordt dat zeker makkelijker gemaakt door je voorkennis. Maar met de meeste dingen in musea is het niet zo eenvoudig. Van al die portretten wilde ik precies weten wie erop stond, met functie en jaartallen. Gelukkig hadden ze daar bij de Hermitage wel voor gezorgd. Een volgende keer hoop ik er de tijd voor te kunnen nemen.

Zoals algemeen bekend is de Amsterdamse Hermitage gevestigd in de Amstelhof, tot voor kort een bejaardentehuis. (Niemand weet er het fijne van, je kunt er misschien achter komen als je naar de kleine permanente tentoonstelling gaat, maar die sla je over, zeker als je met de mooiste Russin die je kent en samen vier aandachteisende kinderen bent gekomen.) Ik vond die Amstelhof altijd prachtig. Je fietste er langs, dacht “wat een mooi gebouw, en wat een schitterende plek”, zag dan door de ramen die oude besjes zitten en was trots op je land en je stad, wat niet zo heel vaak gebeurt. Nu is de gevel gezandstraald, ziet het er ongetwijfeld uit zoals het ooit bedoeld was, maar het heeft allemaal iets poenigs gekregen dat niet bij ons past.

Wel past het oudjes uit AAA-locaties zetten erg goed bij het hedendaagse Rusland. Het afschaffen van het al dan niet reëel bestaande socialisme heeft de zwakkeren daar weinig opgeleverd. Ik vraag I. hoe het tegenwoordig met het muziekleven in Moskou staat. Ik ben in 1993 zeker tien keer naar het Conservatorium geweest, waar ik onder anderen Joeri Basjmet, Igor Oistrach en Gennadi Rozjdestvenski hoorde. Voor in totaal, naar de inflatie gecorrigeerd, 1 euro 50. Ze speelden dan misschien thuiswedstrijden, maar met de zaal vol kenners en liefhebbers was succes niet gegarandeerd. Je zag hoe zenuwachtig ze waren, en hoe opgelucht door het stormachtige applaus. De mooiste muzikale ervaringen van mijn leven. I., de redelijkheid zelve, zegt dat er nog wel abonnementen bestaan, en dat gepensioneerden nog wel eens aan een speciaal kaartje kunnen komen. Maar dat is geen regel meer. In het algemeen moet je er niet op rekenen dat je er voor minder dan 60 euro binnenkomt.

vrijdag 23 oktober 2009

Geval 4A

Change of plans. De wereld moet nog even wachten op mijn stuk over Van het Reve, Popper en de Reuzenkoeskoes. Ook het verhaal over Asperger, waar het citaat van Martin Amis een aanzet toe was, schrijf ik nog even niet. Inspiratie genoeg, maar veel aan mijn hoofd. Eerst moet ik de lof zingen van A., psycholoog en relatietherapeute te Amsterdam.

A. liet ons rustig onze impasse beschrijven, confronteerde C. met de nadelen van haar relatie met F. en mij met de nadelen van mijn negatieve gevoelens daarover - A. is een aanhanger van Byron Katie. Ze zei hoe leuk ze ons vond, hoe intiem, hoe perfect op elkaar ingespeeld, werkelijk uniek. ‘Jammer,’ zei ik, ‘het is een geweldig compliment, maar we hadden juist gehoopt dat je met al je ervaring zou zeggen “Ja, dit heb ik vaker gezien, typisch geval 4A of zo.”’ A., baas boven baas: ‘Maar dit ís ook geval 4A.’ Wij puzzled. A.: ‘Scheiden.’

Dus dat was het, op nog geen uur in het gesprek. Daarna een halfuurtje details doorgesproken (wel erg belangrijk, maar ik verveel u er niet mee) en we waren uitgetherapied. We mochten pinnen, vonden het werkelijk jammer dat we haar niet meer business konden bezorgen. Maar ik beveel haar graag aan: check www.amsterdam-psycholoog.nl.

Een woord van waarschuwing voor de trouwe lezer. Het is niet alleen Byron Katie. A. weet je sterrenbeeld. Ze serveert slechts kruidenthee (ik bedoel: ze serveert geen echte thee; wel koffie). Ze doet aan reiki. Ze zegt dat je kinderen vast Nieuwetijdskinderen zijn, net als de hare. Daar moet je tegen kunnen. Toen ik A. er voorzichtig op wees dat het verwarrend kan zijn als je ‘mits’ zegt terwijl je ‘tenzij’ bedoelt, was ze erg blij, want ze wist niet zeker wat nu beter was. ‘Altijd tenzij, tenzij je echt mits bedoelt, maar meestal zeg je dan vanzelf als.’ Wilde ik misschien eens naar haar website kijken? Daar konden ook wel zulke fouten in staan. Maar dat lijkt me onnodig, hij is goed zoals hij is.

donderdag 1 oktober 2009

Oefening baart kunst

Een citaat. Even lezen, OK? Het is leuk en belangwekkend, ik hoop hier bij gelegenheid nog op terug te komen. Een voetnoot.

There is only one way to get good at fighting: you have to do it a lot.

The reason why most people are no good at fighting is that they do it so seldom, and, in these days of high specialization, no one really expects to be good at anything unless they work out at it and put in some time. With violence, you have to keep your hand in, you have to have a repertoire. When I was a kid, growing up in Trenton, New Jersey, and later on the streets of Pimlico, I learned these routines one by one. For instance, can you butt people (i.e. hit them in the face with your face - a very intimate form of fighting, with tremendous power to appal and astonish)? I took up butting when I was ten. After a while, after butting a few people (you try to hit them with your rugline, hit them in the nose, mouth, cheekbone - it doesn’t much matter), I thought, ‘Yeah: I can butt people now.’ From then on, butting people was suddenly an option. Ditto with ball-kneeing, shin-kicking and eye-forking; they were all new ways of expressing frustration, fury and fear, and of settling arguments in my favour. You have to work at it, though. You learn over the years, by trial and error. You can’t get the knack by watching TV. You have to use live ammunition. So, for example, if you ever tangled with me, and a rumble developed, and you tried to butt me, to hit my head with your head, you probably wouldn’t be very good at it. It wouldn’t hurt. It wouldn’t do any damage. All it would do is make me angry. Then I’d hit your head with my head extra hard, and there would be plenty of pain and maybe some damage too.

Besides, I’d probably butt you long before it ever occurred to you to butt me. There’s only one rule in street and bar fights: maximum violence, instantly. Dont’ pussyfoot, don’t wait for the war to escalate. Nuke them, right off. Hit them with everything, milk bottle, car tool, clenched keys or coins. The first blow has to give everything. If he takes it, and you go down, then you get ll he has to mete out anyway. The worst, the most extreme violence - at once. Extremity is the only element of surprise. Hit them with everything. No quarter.
Helemaal zelf bedacht, niet door mij dus helaas, maar door Martin Amis. Een van de redenen dat een goede vechter dit niet geschreven zou hebben is dat zo’n vechter dan erg veel tijd in het polijsten van zijn stijl zou moeten hebben gestoken, wat waarschijnlijk ten koste van het vechten zou zijn gegaan. Uit Money. A Suicide Note.

maandag 14 september 2009

Geen drank noch lekker eten

De autobiografie Unended Quest van Karl Popper is geen makkelijk boek. Begin je aan het begin, dan vraag je je al snel af of je er wel slim genoeg voor bent - vooral omdat hij als adolescent al filosofische vraagstukken als triviaal beschouwde die je zelf als volwassene nog nauwelijks kunt formuleren, laat staan oplossen. Maar je moet accepteren dat de grootste denkers al op jonge leeftijd slimmeriken waren, en Popper is minder stuitend dan Bertrand Russell in zíjn autobiografie. En blader je door, dan vind je al gauw iets leuks. Ik was op zoek naar Darwin, maar bleef hangen in de kunst.

De vraag wat kunst is laat Popper als betekenisloos onbeantwoord (je went gelukkig snel aan dat soort verwerpingen, je ziet goed waarom hij dat doet). De vraag die de filosoof moet bezighouden is wat een kunstwerk goed of interessant maakt. En ga nu niet ‘waardeoordeel!’ roepen!

Is een goed kunstwerk bijvoorbeeld origineel? Welnee. Mag wel, hoeft niet, en probeer als kunstenaar vooral niet origineel te zijn, want dan mis je het belangrijkste. Een kunstenaar moet zijn werk perfectioneren. Hij mag er niet naar streven origineel, anders, nieuw te zijn, of, godbetert, zijn ‘persoonlijkheid’ uit te drukken (wie serieus denkt dat dat iets betekent verdient uiteraard ook Poppers hoon). Daarmee verzaakt de kunstenaar de plicht die hij aan het kunstwerk heeft. Bach is groter dan Beethoven omdat hij dienstbaar is aan zijn werk, niet met alle geweld iets van zichzelf er in wil leggen. Zo goed mogelijk de problemen oplossen, daar gaat het om.

Waar Popper ook niets mee op heeft, is het idee dat de grootste kunstenaars ‘genieën’ zijn, of zelfs genieën die ‘hun tijd vooruit zijn’, en dus door hun tijdgenoten niet ‘begrepen’ worden. Dat is romantische flauwekul. Sommige kunstenaars krijgen nooit de waardering die ze verdienen. Sommige krijgen tijdens hun leven waardering, en worden later vergeten. Sommige worden tijdens hun leven niet, maar later wel gewaardeerd - dat is echter een zeldzaam geval, want als kunstenaar heb je feedback nodig om je werk te vervolmaken. Sommige worden tijdens én na hun leven gewaardeerd. Waardering is vooral een kwestie van geluk.

Ja, beste Karel van het Reve-liefhebber, dat komt u wel bekend voor allemaal, niet? Interesse in de vraag wat het ene kunstwerk beter maakt dan het andere. Originaliteit is geen criterium voor kwaliteit. Een kunstenaar kan niet zonder publiek. Waardering voor kunst is oneerlijk verdeeld en daar doe je niets aan. Maar VhR had het allemaal niet van Popper, die hij pas in 1966 leerde kennen (door een stuk van Raoul Chapkis dat eindigde met: ‘Alles wat in het bovenstaande juist is danken we aan K.R. Popper’). Unended quest, het eerste boek waarin Popper over frivoliteiten als kunst praat, verschijnt pas in 1976.

VhR heeft het dus niet van Popper, en andersom zal het ook niet zijn, mogen we aannemen. En je kunt ook moeilijk volhouden dat ze beiden algemeen aanvaarde ideeën formuleren. Ik heb tenminste sterk de indruk dat kunstwerken nog altijd beoordeeld worden op originaliteit, niet op vakmanschap en dienstbaarheid van de kunstenaar aan het kunstwerk. Dat het publiek accepteert en verwacht dat kunstenaars enigszins buiten de maatschappij staan. En, een heel belangrijke die je bijvoorbeeld in popkritieken veel ziet: dat de kunstenaar ‘integer’ moet zijn. Een bandje hoeft niet heel goed te spelen, als de jongens het maar ménen.

Ik vind het een mooi beeld, Van het Reve en Popper, geheel onafhankelijk van elkaar hun stem verheffend tegen zoveel flauwekul. Goed, laten we zeggen dat het misplaatst is van ‘genieën’ te spreken, al was het maar omdat dat woord niets betekent. Maar van enige miskenning is toch wel sprake.

zaterdag 29 augustus 2009

Salueren

Met salueren is het zoals met godsdienst: de manier waarop jij het hebt geleerd is echt de enige juiste. Of nee, ik kan daar eigenlijk helemaal de relativiteit niet van inzien. De enige juiste manier van salueren is de volgende:

* Vingers van rechterhand strekken. Duim ernaast. Alle vingers liggen keurig in een vlak. Tussen de vingers en de bovenkant van de hand bestaat geen hoek. De vingers zijn niet licht omlaag gebogen, en je gaat natuurlijk ook niet van de weeromstuit die hand “hol” trekken, zodat de vingers omhoog wijzen. (We zijn geen balletdansers.) De hand gaat, zogezegd, naadloos over in de vingers. Zoals de onderarm ook naadloos overgaat in de hand. De botten van je elleboog tot het topje van je middelvinger liggen in één lijn.

* (Tegelijkertijd:) Rechterelleboog op schouderhoogte brengen. Uiteraard in hetzelfde vlak als het bovenlichaam, dat voelt u inmiddels wel aan. Je kunt weer een lijn trekken, nu van linkerschouder door rechterschouder naar rechterelleboog. Tot zover geen probleem, een kind kan de was doen.

* Nu alleen nog de top van de middelvinger van de gestrekte rechterhand naar de rand van het hoofddeksel brengen, ter hoogte van de rechterwenkbrauw. Hoe precies? Ah, en dat is mooi: daar zijn geen regels voor. Dat soort details mag je zelf invullen. Voor mij viel alles op zijn plaats toen ik iemand dat “verend” zag doen: de hand extra spannen en nog een kleine uitslag meegeven op het moment dat je hem op zijn plaats brengt. Daarna trilt hij even na voordat hij helemaal stilstaat.

Groet je zo, dan voelt het goed, kan je zo blijven staan tot de vlag gehesen is, de generaal is langsgekomen etc. Doe je het slap en ongeïnspireerd, dan ben je naar mijn bescheiden mening geen knip voor je neus waard.

Maar het moet gezegd worden: het is kunst om de kunst. Je kunt het op veel terreinen ver schoppen zonder een goede groet in je repertoire. Sterker nog: wie waardeert een goede groet? Zie het plaatje, een klassieker uit de eerste Golfoorlog. De onuitgesproken boodschap die elke militair direct leest: die piloot ligt vannacht weer met de mooiste vrouwelijke korporaal in bed.

zondag 14 juni 2009

Milgram

Dochter van tien vertelt me dat ze niet houdt van grappen waarbij mensen in de maling worden genomen. Ik ben het daar zeer mee eens. Ik behoor tot de kleine minderheid die nooit om een bananasplit-grap heeft gelachen, ook niet om de door de VPRO gebrachte varianten (ik geloof van Cherry Duyns). Veel te veel medeleven met het slachtoffer, it could have been me.

Dat is een belangrijk bezwaar tegen de experimenten van Milgram, de moeder van alle kip-ik-heb-je-denk-maar-niet-dat-jij-géén-fascist-bentexperimenten. Talloze malen zijn ze herhaald, geïmiteerd, aangepast aan onze tijd. Zelfs beruchte gedragsonderzoeken met een compleet andere opzet worden er in één adem mee genoemd. In dienst moesten we ernaar kijken, bij de geestelijke verzorging. Er zitten overigens best mooie beelden in, vooral van de superieure geesten die het vertikken verder mee te doen, de helden van de show.

Maar het blijft een lage streek. Je bent zo goed niet mee te doen aan een psychologisch experiment dat weet ik wat zou meten, maar dat eigenlijk meet of jij even slecht bent als Adolf Eichman. Als je 's mensen slechtheid alleen maar kunt meten door ze in de maling te nemen, dan zou ik het liever laten.

Maar nu ze het niet gelaten hebben, mag je dan, ondanks ethische bezwaren tegen de onderzoeksopzet, wel conclusies trekken uit de resultaten? Tegen sommige medische onderzoeken kun je nog veel grotere ethische bezwaren hebben. Dubbelblindonderzoeken waarbij de controlegroep niet profiteerde van een levensreddend medicijn, bijvoorbeeld. Of, nog erger, experimenten die de Japanners in de Tweede Wereldoorlog op krijgsgevangenen uitvoerden. Of daar werkelijk een praktische vraag aan ten grondslag lag, of er een paar pseudo-wetenschappers ruim baan hadden gekregen, of dat het ordinair sadisme was - wat doet het er toe, het blijkt dat er nuttige resultaten uit gekomen zijn. Die mag je, lijkt me, gebruiken.

De vraag is alleen of er nuttige conclusies zijn te trekken uit de resultaten van Milgram. Wat leren we er eigenlijk van? Ja, dat de meesten van ons niet zo sterk zijn in het weigeren van bevelen, zelfs als het opvolgen van die bevelen de dood van anderen tot gevolg heeft. Dat is toch een belangrijke conclusie.

Of niet?

Hier heb ik echt een heel groot bezwaar tegen Milgram. Want we wisten dit allemaal al. Om maar één belangrijk feit te noemen, dat ook voor Milgram de motivatie was voor zijn experiment: die zes miljoen joden waren niet door een handvol zeloten vermoord - tienduizenden, honderdduizenden hadden daaraan meegedaan. Die honderdduizenden waren geen moordenaars, in de zin dat ze zelf ooit het plan zouden hebben opgevat en uitgevoerd om iemand te doden. Maar ze volgden wel braaf bevelen op waardoor andere medemensen gedood werden, en ze waren zich daarvan bewust.

Stel nu dat uit de experimenten van Milgram was gekomen dat mensen niet in staat waren op bevel te martelen. Dat ze in plaats daarvan de opdrachtgevers te lijf waren gegaan. Wat zou dan de reactie zijn geweest? Ik denk toch dat u en ik gedacht zouden hebben: dat experiment deugt niet, want uit de geschiedenis blijkt juist dat mensen wel bevelen opvolgen tot de dood erop volgt.

Maar dan had Milgram zijn resultaten niet eens gepubliceerd. Of hij zou de onderzoeksopzet hebben aangepast, totdat de resultaten met de ervaring overeenkwamen. Verdomd, wie weet nog of het niet echt zo gegaan is? Over de voorstudies voor het experiment vind ik niets. Is dat toeval? Maar veel maakt het niet uit. Of hij nu uitgebreid heeft moeten finetunen, of in een klap goed zat: een onderzoek dat niets anders doet dan de werkelijkheid imiteren is geen onderzoek. Van een modelspoorbaan leer je niets over treinen.

En dan ook nog eens mensen in de maling nemen.

maandag 8 juni 2009

Gaat zwemmen!

Je hebt bijvoorbeeld de reportage die over 24 uur op de Wallen gaan. Of 24 uur mee met de politie, bij voorkeur die van bureau Warmoesstraat. Of 24 uur in een nooit sluitend wegrestaurant. Bezoek aan de zelfkant, maar wel veel mooie lichtpuntjes. Ze stonden vroeger zo ongeveer wekelijks in de Nieuwe Revu en misschien nog steeds. Nu doen de wekelijkse tijdschriftbijlagen van de kranten het. Ook al weer een poos trouwens.

Dan heb je ook de reportage over de boksschool. Trainer, succesvolle en minder succesvolle pupillen volgen, ouders, vast publiek, kantinedame, materiaalman. Het boksen is in Nederland alleen een beetje in het gedrang, zowel intellectuelen als schorum willen wat pittigers. Kickboksen is het helemaal. Dus die boksschoolreportages zijn kickboksschoolreportages geworden, en zo een stond er dit weekend in het Parool. Met alle clichés:

* Trainer die als een vader is
* Jonge kickboksertjes krijgen zelfrespect
* Thuis is het vaak niet best
* Grote ontroering bij overwinningen
* Allochtonen kunnen nergens anders terecht
* Meisjes leren van zich af te bijten
* Hier kan je je agressie kwijt
* Uiteraard is het volkomen uit den boze dat verworven vaardigheden buiten de deur worden gebruikt. Discipline!
* Sport geeft structuur aan je leven
* Etc. etc. Zelfrespect. Respect voor anderen. Opgeven is geen optie.

Het moet gezegd worden: ook enkele kwalijkere kanten van het kickboksen komen aan de orde. Het is een sport waarbij je elkaar pijn probeert te doen en waar bloed bij vloeit. Het publiek komt daar ook voor. En kickboksers, alle beloftes om hun kunsten alleen binnen de ring te vertonen ten spijt, treden vaak op als lijfwacht van criminelen, of worden zelf crimineel.

Maar bovenstaande clichés worden niet ter discussie gesteld. Het merkwaardige, volstrekt onbewezen idee (en hoe zou je ook onderzoeken of het waar is?) dat vechtsporten een soort uitlaatklep zijn, dat de gewelddadigheid die we nu eenmaal in ons hebben wordt gekanaliseerd etc. is een gegeven.

Het schokkendst aan de reportage vond ik echter dat de sportschool in kwestie blijkbaar gesubsidieerd wordt uit een prachtwijkenpotje of zoiets. Waarom vind ik dat zo schokkend? Niet alleen omdat je de kinderen die het slechte pad op gaan (en die zijn er in die buurten, al geloof ik best dat het een minderheid is) een geducht wapen meegeeft.

Ook niet vanwege de ongezonde intellectuele fascinatie met geweld. Wat vinden mensen die het van hun hersenen moeten hebben toch aan sporten waar een knock-out, waarbij je je tegenstander ernstig hersenletsel toebrengt, als het hoogst bereikbare wordt gezien? Denk toch na.

Maar het ergst vind ik de neerbuigendheid die eruit spreekt. Laat die allochtoontjes lekker kickboksen, dat willen ze graag, ze kunnen alleen geen sportschool betalen, helpen we daar toch mee.

Jo! Misschien willen die allochtoontjes helemaal niet speciaal kickboksen. Misschien willen ze zelfs wel aan hele andere sporten doen, als ze de kans krijgen. Aan gezonde sporten, waarbij je elkaar niet verrot slaat en trapt, waarbij je rustig aan je techniek en je kracht en je uithoudingsvermogen kunt werken, en waar ook minder snelle en atletische types plezier aan kunnen hebben.

Wat dacht u hiervan: de zwemclub van mijn dochter van 10 is, in ieder geval in haar leeftijdscategorie, voor 30% allochtoons. Het kan misschien nog beter, maar dat is een redelijke afspiegeling van de Amsterdamse bevolking. Het had ook minder kunnen zijn bij zo'n oerhollandse sport. Hoe werkt het? Net als Nederlandse ouders merken Turkse en Marokkaanse ouders dat hun kinderen het leuk vinden op zwemles. Kunnen ze eigenlijk niet blijven zwemmen als ze straks al hun diploma's hebben? De meesters en juffen vertellen dat dat heel goed kan, bijvoorbeeld op zaterdagochtend vroeg, om acht uur. En verdomd, ze komen gewoon. Twee keer per week trainen kan ook. In de zomer komt het buitenbad erbij.

Dan nu een gedachtenexperiment. Twee groepen Marokkaanse jongens in het Sloterparkbad. Een heeft getraind bij kickboksschool Samurai, een bij zwemclub het Y. Welke gaat baantjes trekken en keerpunten en de vlinderslag oefenen, welke gaat liever wat dollen op het veld, waar ze vroeg of laat de meisjes gaan lastigvallen? Ik zou zeggen: subsidiëren maar, dat zwemmen!

zaterdag 6 juni 2009

Angst

Af en toe schrijf ik over de achtste Montessorischool van onze hoofdstad, voor de jongere lezers (dag Max!) opdat die weten wat hun te wachten staat, want het gaat sneller dan je denkt. En omdat veel van wat op school gebeurt tekenend is voor de maatschappij als geheel.

Deze week overleed Ditte, administratief medewerkster van voornoemde school. Ze was al lang ziek, maar de schok was toch groot, groot genoeg om dinsdag a.s., de dag van haar begrafenis, de school te sluiten. Wat betekent dat? Even rekenen. Op de school zitten een 600 kinderen, ik schat gemiddeld 1,5 per ouderpaar. 800 ouders dus? Een op de twee ouders moet zijn of haar dag aanpassen vanwege het onverwachts thuisblijven van de kinderen. De vervelendste aanpassing, voor henzelf en voor hun collega's op het werk: een dag vrij nemen. Het lijkt me geen slechte schatting als een 50 ouders dat dinsdag noodgedwongen doen.

Nu kende ik Ditte niet, de juffen en meesters natuurlijk wel. Maar: hoe erg zou het voor Dittes nabestaanden zijn als alleen de directeur op de begrafenis zou komen, namens de collega's? Want het is niet vanzelfsprekend dat alle collega's van het werk naar een begrafenis gaan, zoals het ook niet vanzelfsprekend is dat je bijzonder verlof krijgt voor de begrafenis van iemand anders dan een naast familielid.

Ik vraag me ook af of de nabestaanden blij zijn met zo'n groots gebaar. Het is toch even wat, een hele school een dag sluiten, niet alleen voor de ouders maar ook voor de kinderen die toch weer minder leren en er van uit hun ritme raken (al is het wel weer zo dat vrije dagen, met al die adv- en studiedagen, wat gewoner zijn geworden dan vroeger).

Maar die bezwaren (ouders gedwongen vrij te nemen, mogelijke gêne bij nabestaanden) wogen blijkbaar niet op tegen de druk om alle collega's een kans te geven het verlies te verwerken. Op de vergadering waarop dit besluit genomen is, moet het ongeveer zo gegaan zijn: enkele leraren gaven te kennen graag naar de begrafenis te willen. De directeur wijst erop dat er niet voldoende invallers zijn, en dat dit dus niet kan. Ja, als één het deed, en zelf een vrije dag opnam, dan. Maar niet als er vijf of zes willen. Algemeen protest. Directeur velt Salomonsoordeel: dan iedereen vrij, en dus school dicht.

Ik kan er tenminste niets beters van maken - en ik ben eigenlijk bang dat het nog erger was, dat de belangstelling niet eens gepeild is. Wij gaan allemaal naar de begrafenis, punt.

Het besluit lijkt me te zijn ingegeven een nieuwe angst, de angst om gevoelloos en hardvochtig te lijken. Een angst die verwant is aan een andere onredelijke, maar eveneens veel voorkomende angst: de angst om leden van bepaalde groepen te kwetsen. En, iets subtieler maar daarom niet zeldzamer, de angst denkbeelden te uiten die je toevallig deelt met figuren als Hitler en Geert Wilders.

Wie toch eerlijk wil zeggen wat hij ergens van vindt, moet, als hij niet in 100% vertrouwd gezelschap is, tegenwoordig beginnen met een reeks disclaimers: ik gun natuurlijk iedereen zijn rouwproces maar..., ik respecteer eenieders overtuigingen maar..., ik ben het natuurlijk in het algemeen niet eens met Wilders, maar..., ik ben vegetariër, en ja, Hitler ook, maar Katja Schuurman ook, en Wouter Bos ook (o nee, Wouter Bos is uit, die liever niet noemen), en Hitler was het alleen maar omdat hij dacht dat het gezonder was.

Hoe gaat het trouwens met de angst voor de dood? Kom ik toevallig alleen maar opgewekte mensen tegen, of is die angst nu juist op zijn retour? Dat zou toch een mooie opsteker zijn in deze harde tijden. The show must go on!